Profetie in de Bijbel

Profetie

God zal de volken zwaar straffen

Jeremia 25:15-38 | Webmaster3 | ingevoerd: 18-02-2015 | gewijzigd: 23-02-2015
Profeet: Jeremia | Geadresseerde: volken
Trefwoorden: Jeremia, volken, straf

Samenvatting

Jeremia profeteert dat God de volken zwaar zal straffen.

Bijbeltekst

15 Want zo heeft de HEERE, de God van Israël, tegen mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid uit Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken tot wie Ik u zend,
16 zodat zij drinken en waggelen en zich als een waanzinnige gedragen vanwege het zwaard dat Ik onder hen zend.
17 Toen nam ik deze beker uit de hand van de HEERE en gaf die te drinken aan al de volken tot wie de HEERE mij gezonden had:
18 aan Jeruzalem en de steden van Juda, zijn koningen en zijn vorsten, om die te maken tot een puinhoop, tot een verschrikking, tot een aanfluiting en tot een vloek, zoals het heden ten dage is,
19 aan de farao, de koning van Egypte, zijn dienaren, zijn vorsten en heel zijn volk,
20 aan alle mensen van allerlei herkomst en al de koningen van het land Uz, aan al de koningen van het land van de Filistijnen, aan Askelon, Gaza, Ekron en het overblijfsel van Asdod,
21 aan Edom, Moab en de Ammonieten,
22 aan al de koningen van Tyrus, al de koningen van Sidon, en de koningen van de kustlanden die liggen aan de overkant van de zee,
23 aan Dedan, Tema, Buz, en allen die kaalgeschoren zijn aan hun slapen,
24 aan al de koningen van Arabië en al de koningen van de gemengde bevolking die in de woestijn woont,
25 aan al de koningen van Zimri, al de koningen van Elam en al de koningen van Medië,
26 aan al de koningen van het noorden, die dichtbij en veraf zijn, de een na de ander; ja, aan al de koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. Na hen zal de koning van Sesach drinken.
27 Dan moet u tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Drink, word dronken, spuw uit, val neer zodat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard dat Ik onder u zend.
28 Mocht het gebeuren dat zij weigeren de beker uit uw hand te nemen om te drinken, dan zult u tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Drinken zult u!
29 Want zie, in de stad waarover Mijn Naam is uitgeroepen, begin Ik met onheil aan te richten en zou u dan in enig opzicht voor onschuldig worden gehouden? U zult niet voor onschuldig worden gehouden, want Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde, spreekt de HEERE van de legermachten.
30 En ú moet tegen hen al deze woorden profeteren, en tegen hen zeggen:
De HEERE zal brullen als een leeuw vanuit de hoogte,
vanuit Zijn heilige woning Zijn stem laten klinken.
Hij zal geweldig brullen tegen Zijn woonplaats,
Hij zal een vreugderoep als van druiventreders aanheffen
tegen alle bewoners van de aarde.
31 Vreselijk gedruis zal komen tot aan het einde der aarde,
want de HEERE heeft een rechtszaak met de volken;
Híj zal een rechtszaak voeren met alle vlees.
De goddelozen heeft Hij overgegeven aan het zwaard,
spreekt de HEERE.
32 Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, onheil gaat uit
van volk tot volk.
Een zware storm wordt opgewekt
van de uithoeken van de aarde.
33 De door de HEERE dodelijk gewonden zullen op die dag van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde liggen. Er zal over hen geen rouw bedreven worden, zij zullen niet verzameld en niet begraven worden: tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
34 Weeklaag, herders, en schreeuw het uit!
Wentel u in de as, gebieders van de kudde!
Want uw dagen zijn aangebroken, dat men afslachten zal,
en uw verstrooiing, zodat u zult vallen als kostbaar vaatwerk.
35 De mogelijkheid tot ontvluchten voor de herders gaat verloren,
de mogelijkheid tot ontkoming voor de gebieders van de kudde.
36 Hoor het geschreeuw van de herders,
en het gejammer van de gebieders van de kudde,
omdat de HEERE hun weide verwoest.
37 De vredige weiden worden vernield
vanwege de brandende toorn van de HEERE.
38 Als een jonge leeuw heeft Hij Zijn schuilplaats verlaten,
want hun land is geworden tot een woestenij
vanwege de brandende toorn van de onderdrukker,
ja, vanwege Zijn brandende toorn.

Uitleg

Dit is een heel donker gedeelte uit het boek Jeremia. God vertelt de profeet dat Hij de volken zwaar zal straffen. De straffen zullen volgen nadat de ballingschap van de joden voorbij is. Bijzonderheden over hoe de volken gestraft worden, zijn te vinden in andere hoofdstukken van Jeremia en bij andere profeten.

Om welke volken gaat het?
- Jeruzalem en de steden van Juda
- Egypte
- Uz (ten zuiden van de Dode Zee?, Arabisch Schiereiland? ten oosten van Meer van Tiberias?)
- Filistijnen (Gaza)
- Edom (ten zuidoosten van de Dode Zee, het huidige Jordanië)
- Moab (ten oosten van de Dode Zee, het huidige Jordanië)
- Ammonieten (ten noorden van Moab, het huidige Jordanië)
- Tyrus (Libanon)
- Sidon (Libanon)
- de kustlanden die liggen aan de overkant van de zee (?)
- Dedan (Arabië)
- Tema (Arabië)
- Buz (?)
- Arabië
- Zimri (?)
- Elam (westen van Iran)
- Medië (Iran)
- het noorden (?)
- al de koninkrijken van de aarde
- als laatste: Sesach (Babel in Irak)

Opvallend is dat ook Israël niet gespaard blijft: ook Jeruzalem en de steden van Juda worden gestraft. Vers 29 schrijft zelfs dat de God begint met onheil aanrichten in de "stad waarover Mijn Naam is uitgeroepen": Jeruzalem.
De vermelding "al de koninkrijken van de aarde" lijkt hier een beetje vreemd. Als we dit letterlijk nemen, had de profeet de andere gebieden net zo goed weg kunnen laten (dat waren toen ook koninkrijken). Walid Shoebat zegt dat bij zulke zinnen vaak sprake is van een manier-van-spreken die je veel ziet in het Midden-Oosten. Bedoeld zou kunnen worden: alle volken in die regio.
Als laatste wordt de koning van Sesach (een Hebreeuws scheldwoord voor Babel of Babylon) gestraft. Dat klopt met wat we in Openbaring lezen. In Openbaring 18 wordt de val van Babel beschreven. Daarna komt Jezus terug om de vijandige legers te verslaan die zich verzameld hebben, de duivel te binden en het duizendjarig rijk te stichten.

Welke straf staat deze volken te wachten?
- de goddelozen worden overgegeven aan het zwaard
- de herders van de volken (de leiders) kunnen niet vluchten, de zullen vallen als kostbaar vaatwerk
- de weide van de herders (het land) wordt verwoest door "brandende toorn"
- overal zullen gewonden liggen
- de doden zullen niet begraven worden
- er wordt niet gerouwd om de doden
In andere profetieën wordt nauwkeuriger beschreven welke straffen de volken te wachten staan.

Wie voert de straf uit?
We lezen dat de HEERE de straf oplegt. Hij wordt verschillende keren neergezet als leeuw. Hij brult vanuit de hoogte en "als een jonge leeuw heeft Hij Zijn schuilplaats verlaten", lezen we. Dat is interessant want in Openbaring 5 wordt Jezus de Leeuw uit de stam van Juda genoemd.

Waarom worden ze gestraft?
Omdat de HEERE een rechtszaak heeft met de volken, meldt vers 31. Wat de volken precies misdaan hebben wordt in dit hoofdstuk niet uitgelegd.

Vervuld: onbekend

Vast staat dat nog niet alle volken gestraft zijn. De straf voor Babel bijvoorbeeld komt pas kort voor de wederkomt van Jezus. Het kan zijn dat God andere volken al gestraft heeft of aan het straffen is. Een andere mogelijkheid is dat deze straffen volgen in de tijd van de grote verdrukking, nadat de christenen van de aardbodem weggerukt zijn.

Gerelateerde profetieën

De Messias strijdt tegen Libanon (Jes. 10:33-34)
Edom staat een zeer zware straf van God te wachten (Jes. 34)
Edom wordt een vernietigende slag toegebracht (Jer. 49:7-22)
God velt het oordeel over de Filistijnen (Ez. 25:15-17)
God komt naar de aarde om te oordelen (Ps. 50)
God zal de koningen van de aarde oordelen (Ps. 2:1-12)
Heidenvolken nemen nog één keer Jeruzalem in (Zach. 14:1-3)
Het Seïrgebergte en de rest van Edom worden verwoest (Ez. 35:1-15)
Inwoners Gazastrook zullen verdelgd worden (Zef. 2:5-7)
Joël beschrijft hoe de Dag van de HEERE eruitziet (Jl. 2:1-11)
Moab en Ammonnieten worden gestraft (Zef. 2:8-10)
Straf voor de volken die tegen Jeruzalem hebben gestreden (Zach. 14:12)
Tyrus wordt verwoest, de stenen in het water gegooid (Ez. 26:1-14)
Verloop laatste slag om Israël (Dan. 11:40-45)
Volken gestraft voor misdaden tegen Israël (Jl. 3:1-4)
Zefanja over de Dag van de HEERE (Zef. 1:14-18)